Wie blijven we zonder onze versieringen?
Ons werk, onze schoonheid, ons huis, onze talenten — ze voelen als de zorgvuldig gemetselde stenen van onze identiteit. We bouwen, stapelen, verfijnen. Tot het staat. Tot het klopt. Tot we onszelf erin herkennen. Maar wat gebeurt er als dat bouwwerk begint te scheuren? Als het wankelt… en misschien zelfs opeens instort?
Afgelopen jaren draag ik die vraag met me mee. En deze winter verdiepte die. Niet door iets vluchtigs, maar door een stevige terugval in mijn herstel. Eerder had ik al moeten leren leven met het wegvallen van kwaliteiten die ooit vanzelfsprekend waren. Maar dit keer kwam er een nieuw, rauwer besef bij. Wat als het zich opstapelt. Wat als mijn grens zo dichtbij is. Als deze beperkingen blijven? En als dit niet tijdelijk is, maar een laag waar ik me blijvend toe moet verhouden? Of zelfs… wat als er blijvend nog meer wegvalt?
En altijd— ergens in mij blijft die zachte neiging om te zoeken naar licht. Naar betekenis. Naar schoonheid, zelfs hierin. In het verlies van het bouwwerk. In het verlies van mijn dromen in doelen die ik niet meer kan halen. In het verlies van de wereld die ik voor mezelf had gebouwd.
Is er schoonheid te vinden in het geveld zijn? In de traagheid, de dagelijkse pijn, het onbegrip? In de gedwongen rust?
Het blijft voor mij ook een spanningsveld. Want ja, ik heb een dak boven mijn hoofd. Eten op tafel. Lieve mensen om me heen. Een man waar je alleen maar van kan dromen. Een mooi huis op een fijne plek. Ik mag dus heel tevreden zijn.
Mijn verhaal is niet te vergelijken met dat van wie leeft in oorlog of groot verlies van leven op een andere schaal. En toch doet het niets af aan de ervaring zelf. Aan het zoeken. Aan het wankelen. Aan het vinden van nieuwe grond als het soms lijkt of je in een afgrond glijdt.
Misschien is dat wel de kern van deze fase: onderzoeken waar je naartoe gaat als de grond onder je voeten verschuift. Als alle versieringen verdwijnen. Wat blijft er van mijn essentie over? En ben ik daar blij mee. En wat kan ik daar voor een moois zelf nog aan toevoegen. Om het leven binnen die perken mooier te maken.
Ik moet soms glimlachen om al onze menselijke overtuiging dat wat we opbouwen blijft. Dat we het kunnen vasthouden. Terwijl de natuur ons elk jaar iets anders toont. De bladeren vallen. Altijd. Onvermijdelijk. Er is geen vasthouden aan. Alleen het meegaan.
Maar diezelfde natuur fluistert ook iets anders: na het vallen komt er weer iets nieuws. De zwierige tulpen breken door de aarde. Ze lonken en opeens gaan ze open. Een herinnering dat niets statisch is — ook dit niet. 
En dus keer ik terug naar iets eenvoudigs. Iets wat me de afgelopen jaren onverwacht veel heeft gegeven: zaaien. Letterlijk, met mijn handen in de aarde. En figuurlijk, in hoe ik leef en maak. Want zaaien vraagt geen perfectie. Alleen aandacht. Geduld. Vertrouwen. Zodat er ook naar de tulpen nieuwe bloemen zullen bloeien. Zodat ik door alle seizoenen heen kan komen met de onverwachtse magie van het leven.
Dit is een van de redenen dat ik ook de Dansvaasjes maakte. Vaasje gevuld met biologische zaadjes uit mijn eigen tuin en aangevuld met die van de Bolster. Om iedereen moois te laten strooien. Om het mooie te vermenigvuldigen. En zo dat de vaasjes als de bloemen eenmaal bloeien niet als een muurbloempje voor je muren hangen, maar daar kunnen dansen. Met de wind mee. Zo wil ik het leven vieren. Binnen mijn muren van kunnen. Zet ik de bloemetjes vandaag lekker binnen.